Joost Barbiers
Een wezenlijke ervaring voor Joost Barbiers was zijn eerste 'werkreis', toen hij in 1980 voor het eerst op het eiland Brac verbleef. Brac is gelegen in de Adriatische Zee, tegenover de stad Split in Kroatië.
De andere atmosfeer, de omgang met buitenlandse collega's die met dezelfde steensoort - harde kalksteen - aan het werk zijn en vooral het directe contact met het materiaal dat net uit de groeve is gekomen werkt stimulerend: 'Je merkt hoe er met steen geleefd wordt en je hebt het idee dat je een tijd deel uitmaakt van die maatschappij. Beeldhouwkunst was iets positiefs en alles ging over steen'.
Zo maakte hij een aantal van deze werkreizen, hij was driemaal in Brac (1980, 1981 en 1983), daartussen in Carrara, en korte tijd later in Portugal, in 1989 in Zimbabwe, en daarna verscheidene malen in Bretagne.
In de tweede helft van de jaren '80 kwam het beeld de Golfbeweging tot stand.
Op een dikke grondplaat van zwart graniet staan drie witmarmeren vormen - of zijn het toch figuren? - in een lichte s-curve. De vorm van staande delen is afgeleid van het afval van het laatste echt figuratief te noemen beeld in marmer van zijn hand: bij het hakken met de jop (een zware, brede steenbeitel) kwamen er gewelfde plakken vrij en hij raakte gefascineerd door de 'cadeaugekregen' brokken waar hij mee ging experimenteren.
Het is misschien het meest 'geometrische' ontwerp van Barbiers. De witte, geaderde figuren van Carraramarmer zijn even hoog afgevlakt, zij geven de suggestie van een gelijke vorm maar zij zijn niet identiek, de spanning wordt opgeroepen doordat zij verschillende fasen van het staande element oproepen; zij geven door de afstand van elkaar een indruk van constante, ritmische beweging. De golf laat op iedere plek een eigen tijdsfase zien, dat geeft de dynamiek die tegelijkertijd voor eeuwig is vastgelegd
In diezelfde tijd, in 1985, hakt hij in Portugal zijn Dijen in het harde, witte Portugese marmer, het eerste gebeeldhouwde fragment van zijn hand. De vorm is even eenvoudig als herkenbaar gehouden: twee bovenbenen en de heupen, van onderen recht en van boven schuin afgevlakt. De aanpak is nauwelijks naturalistisch maar omdat het marmer gepolijst is lijkt het dat het oppervlak, als menselijke huid, licht doorschijnend is waardoor het beeld zijn sensuele werking krijgt. Vier jaar later pakt de beeldhouwer, als hij in Zimbabwe verblijft, het thema nogmaals op, maar nu in het plaatselijke donkere serpentstone, een wat zachtere steen dan marmer
De Torso Double en de Dijen vonden een plaats op de tentoonstelling 'De torso in Nederland' die in 1991 in Dordrecht werd gehouden.
Bij Barbiers komt bij het hakken altijd iets van het materiaal naar voren dat hij gebruikt bij de ontwikkeling van zijn idee dat niet in één concept te vangen is. Het is niet verwonderlijk dat hij met deze weloverwogen en veel tijd en fysieke energie vragende benadering van het materiaal zich verzet tegen het conceptuele, dat in een wip gebeurd is. 'Je hebt', zegt Barbiers, 'tenslotte zoveel tijd, je mag best denken, vanuit dat denken evolueert wat je maakt'.
Hij gebruikt graag de metafoor over inzien en begrijpen: op het eerste oog woorden die qua betekenis elkaar dekken, maar waar modelleren met grijpen, begrijpen van doen heeft, moet de steenbeeldhouwer zijn beeld zien in het blok steen dat voor hem staat: inzien, dat heeft met inzicht te maken.
'Je wordt toevallig opgevoed in een bepaald klimaat, je beeldhouwerschap komt ten goede aan hetgeen je uit wilt drukken. Als ik enthousiast ben, stuurt de titel mij naar het beeld toe, maar die komt ook wel vaak achteraf. Ik heb geleerd opties open te houden: je gaat toch heel vaak uit van de formaten die je ziet, een beeld begint bij de zwerfkei; het zit elkaar in de weg met die combinatie van hardsteen en bedachte namen, maar 't is niet zwart-wit. Een ontwikkeling is niet iets waar je begint en dan rechtlijnig ergens naar toe gaat; het is een zekere trouw die je drijft'.
