Parels van het arboretum

De Anna Paulownaboom


Eind april, begin mei bloeit de Anna Paulownaboom. Een Chinese boom beschreven vanuit Japan, ontdekt door de Nederlandse VOC en genoemd naar een Russische tsarendochter. Hoe zit dat nu eigenlijk allemaal? De Anna Paulownaboom is de Nederlandse voorkeursnaam voor Paulownia tomentosa. De boom is ook bekend onder de alternatieve Nederlandse namen Kiriboom, Keizersboom, Prinsessenboom en Tempelboom. Het is een nuttige boom met grote sierwaarde en een zeer rijke historie zoals u in het onderstaande verhaal kunt lezen.

Betrokkenheid via de VOC
De VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie), een particuliere Nederlandse handelsonderneming die van 1602 tot 1800 floreerde, bezat tal van nederzettingen in andere landen voor de overzeese handel, de zogenoemde factorijen. Een van die handelsposten was Deshima, gelegen in de baai van Nagasaki (Japan), een kunstmatig waaiervormig gevormd eilandje van nog geen anderhalve hectare, ongeveer zo groot als de Dam van Amsterdam. Het eiland werd in 1636 door de Japanners aangelegd met als doel buitenlanders in en rondom de handelshaven Nagasaki beter in de gaten te kunnen houden. Het was destijds de enige toegankelijke Japanse haven voor buitenlandse schepen.

 

Gedurende ruim tweehonderd jaar was deze Nederlandse handelspost het enige contact tussen de westerse wereld en het grotendeels afgesloten Japan. Alleen via een zwaarbewaakte toegangsbrug kon men vanaf Deshima de stad Nagasaki in. De Nederlanders in dienst van de VOC leefden op Deshima onder strikte beperkingen. Er mocht maar een beperkt aantal (tien tot vijftien, op zijn hoogst twintig) Nederlanders op het eiland verblijven, waaronder een opperhoofd (bestuurder) en een arts. Slechts eenmaal per jaar mochten ze van hun eilandje af, het jaarlijkse bezoek aan de Shõgun in Edo (het huidige Tokyo).

Geschiedenis van de naam
Gedurende twee jaar (1690-1692) werkte Engelbert Kaempfer als factorijarts op Deshima. In 1691 ontving hij materiaal van de Anna Paulownaboom en heeft hij ervoor gezorgd dat het als herbariummateriaal bewaard is gebleven. Op het vel schreef hij ‘flos Kiri’ (‘bloem Kiri’). In Japan stond de boom bekend onder de naam ‘Kiri’, wat ‘leven’ betekent in het Japans. In 1693 keerde Kaempfer terug naar Nederland, waarna hij aan de universiteit van Leiden promoveerde in de geneeskunde. Als eerste beschreef én tekende Kaempfer (1712) in zijn Amoenitatum Exoticarum deze boom. Alle notities, manuscripten en het herbariummateriaal worden tot op heden zorgvuldig bewaard in het Natural History Museum (BM) te Londen.

Ruim tachtig jaar (1775-1776) na Kaempfer verbleef de Zweed Carl Peter Thunberg, een student van Carl Linnaeus, eveneens op Deshima als arts in dienst van de VOC. Voordat Thunberg vanuit Japan weer terugkeerde naar Zweden bezocht hij de Japanse collectie van Kaempfer in Londen. Thunberg was van mening dat de boom een nauwe verwant is van Catalpa (Trompetboom). In 1783 beschreef hij, op basis van herbariumexemplaren, de boom onder de naam Bignonia tomentosa in de Trompetboomfamilie (Bignoniaceae), de familie waartoe ook het geslacht Catalpa behoort.

In 1823 kwam de Beierse arts Philipp Franz Balthasar Von Siebold op Deshima aan. Aanvankelijk werd Siebold als geneesheermajoor (militair arts) in Nederlandse dienst uitgezonden naar Java (Indonesië). Een jaar later werd hij overgeplaatst naar Deshima als factorijarts. Siebold was tevens een groot verzamelaar van zaden, planten en dieren en had een exemplaar van de Anna Paulownaboom in zijn tuin op Deshima aangeplant. Eind 1829 vertrok Siebold van Deshima en vestigde hij zich in Leiden, waar hij zijn opgedane kennis van de Japanse natuur vast legde in de Flora Japonica en de Fauna Japonica. Om deze boeken te kunnen publiceren moest Siebold op zoek naar geld. 

 
Siebold kwam in contact met Anna Paulowna, dochter van tsaar Paul I. Zij was sinds 1816 gehuwd met kroonprins Willem II en woonde in Soestdijk. Anna Paulowna introduceerde Siebold bij haar broer tsaar Nikolai I van Rusland. In 1834 reisde Siebold naar de tsaar in Rusland. Het bezoek werd een succes; niet alleen kwam het geld er, maar Siebold kreeg tevens een keizerlijke onderscheiding. Hij droeg zijn Flora Japonica (1835-1870) op aan Anna Paulowna en beschreef het naar haar genoemde geslacht Paulownia. Hij was van mening dat de boom verschilde van zowel Bignonia als Catalpa. Siebold gaf samen met Zuccarini de soort de naam Paulownia imperialis (‘imperialis’ = keizerlijk). Uiteindelijk was het Ernst Gottlieb von Steudel die in 1841 Thunbergs Bignonia tomentosa en Siebolds Paulownia imperialis reduceerde tot synoniemen van de correcte naam Paulownia tomentosa (Thunb.) Steud.. Toch bleef de naam Paulownia imperialis nog lang in zwang. 


Beschrijving en ontwikkeling
‘Tomentosa’ betekent viltig harig. Alle jonge delen van de boom, de knoppen, twijgen en bladeren, zijn behaard. Die beharing kan wel variëren en kent twee variëteiten: var. tsinglingensis die bijna kaal is of weinig beharing heeft en vooral voorkomt in het westelijk deel van het natuurlijke verspreidingsgebied, en var. tomentosa die sterker behaard is. In Nederland wordt de Anna Paulownaboom tussen de tien en vijftien meter hoog en vaak net zo breed. De kroon is grillig gevormd met een vrij open structuur. De lang gesteelde, grote, decoratieve, hartvormige bladeren zijn gaafrandig en tot drie- (soms vijf) lobbig. In het voorjaar, wanneer de roestbruine bloemknoppen de vorst hebben overleefd, openen deze zich nog voor de bladontwikkeling, rond eind april, begin mei. Hierbij ontvouwen zich de licht geurende, grote, klok- of trompetvormige, violetblauwe of paarslila bloemen. 

 

Afzonderlijk lijken de bloemen een beetje op de bloemen van het Vingerhoedskruid en hebben ze aan de binnenzijde een gelige vlek. De bloemen trekken bijen en hommels aan. Van ver ziet de bloeiende boom eruit als een violetblauwe wolk. Door het veranderende klimaat, met warme  nazomers en een toenemend aantal warmere winters bloeit Paulownia tomentosa tegenwoordig vrijwel jaarlijks. Toch kan het gebeuren dat de knoppen voor de winter te weinig afrijpen of ten gevolge van onrustige winters, met afwisselend vorst en zachte perioden, aborteren.

Na de bloei vormen zich vanaf medio juni de aanvankelijk kleverig groene, later naar bruin verkleurende scherp gepunte, eivormige doosvruchten. Bij rijpheid springen ze met twee kleppen open en kunnen de vele gevleugelde zaadjes door de wind over een grote oppervlakte worden verspreid. Om te kunnen kiemen hebben de zaden een aantal warme dagen nodig. Eenmaal gekiemd is de groeikracht enorm: een zaadje kan in een jaar uitgroeien tot een lange ‘tonkinstok’ van drie meter met bladeren van zo’n 30 centimeter lang. Na drie jaar staat er al een jonge boom van vijf meter. De boom gaat op zijn vroegst na zo’n zeven jaar voor het eerst bloeien. Tegen het einde van de zomer worden in pluimvormige trossen de roestbruine, viltig behaarde bloemknoppen aangelegd. Zodra het blad in de herfst valt, ziet de boom met al die knoppen eruit als een statige kroonluchter en is het wachten tot het voorjaar: bloeit ’ie of bloeit ’ie niet?

Verschil tussen Paulownia en Catalpa
Paulownia wordt vaak verward met Catalpa. Beide zijn middelgrote tot grote bomen en hebben opvallend grote en zachte bladeren, die meestal hartvormig zijn en zonder herfstkleur vallen. Ze hebben beide dikke twijgen met tegenoverstaande bladeren. De takken eindigen in een bloeiwijze en groeien verder door het uitlopen van twee daaronder geplaatste tegenoverstaande knoppen (sympodiale groei). De groeiwijze is breed vertakt en de opzichtige bloemen staan in eindstandige trossen, tot zover de overeenkomsten.


Paulownia is een ‘naaktbloeier’ met blauwviolette bloemen die vóór de bladontwikkeling verschijnen. De bloemen van Catalpa openen zich later (in juni/juli) tussen de bladeren en zijn wit, geel of bleek rood (zelden bleek paars). De schors van Catalpa is bruinachtig, ruw en verschilt van de meer grijze, fijn gestructureerde schors van Paulownia. Verder zijn er grote verschillen in de vruchten. Bij Paulownia zijn de eivormige doosvruchten gevuld met vele kleine gevleugelde zaden. Bij Catalpa hangen de lijnvormige, op doorsnede ronde vruchten als lange sperziebonen (eigenlijk als ‘kousenbanden’) aan de boom en bevatten rijen met zaden.


Moderne fylogenetische analyses op basis van moleculaire gegevens bevestigen de scheiding van Paulownia van Catalpa, en zelfs van de familie Bignoniaceae. Paulownia wordt nu geplaatst in de monogenerische familie (dat is een familie met maar één geslacht) Paulowniaceae, die de zustergroep is van de Orobanchaceae (Bremraapfamilie). Op basis van deze resultaten staat Paulownia dichter bij de Lamiaceae (Lipbloemigen) dan bij de Bignoniaceae (Trompetboomfamilie).

 

Natuurlijk  verspreidingsgebied 
Een eeuw lang was Paulownia tomentosa het enige lid van het geslacht dat in de westerse wereld werd gekweekt. Zoals bij veel andere geslachten is Paulownia in cultuur zo sterk vertegenwoordigd door één soort, dat men zich in Europa en Amerika vaak niet bewust was van het bestaan van andere soorten. De Flora of China onderscheidt zeven Paulownia-soorten en één natuurlijke hybride. Zes van de zeven soorten groeien van nature van China tot Noord-Vietnam, Myanmar en Laos. In 2019 is een nieuwe, zevende soort beschreven die endemisch is in Laos: Paulownia laotica.

De noordelijke grens van het verspreidingsgebied van Paulownia bevindt zich ter hoogte van Beijing (dat ligt ongeveer ter hoogte van Madrid). Het huidige natuurlijke verspreidingsgebied van de zes in China groeiende soorten wordt in oost-westelijke richting gescheiden door de Yangtze rivier. Drie soorten – P. catalpifolia, P. tomentosa en P. elongata – komen ten noorden van de Yangtze-rivier voor, terwijl P. fortunei, P. kawakamii en P. fargesii zuidelijk van de Yangtze groeien, in een meer subtropisch/tropisch klimaat. De natuurlijke hybride van P. kawakamii en P. fortunei – P. x taiwaniana – groeit in Taiwan.

Hoe is de boom in Europa gekomen?
Fossielen van Paulownia tonen aan dat het verspreidingsgebied gedurende de laatste paar miljoen jaar met de ijstijdsamenhangende klimaatverandering drastisch is ingekrompen. Er zijn Paulownia-fossielen gevonden tot in het westen van Noord-Amerika, in Zuid-Europa en in de Kaukasus. Er bestaat een verhaal dat de verspreiding te danken is aan de export van Chinees porselein in de 19e eeuw. Om dit tegen breuk te beschermen zouden de holle ruimtes van de transportkisten zijn opgevuld met de doosvruchten van Paulownia. Wanneer de kisten werden ontscheept, sneuvelde er wel eens een kist in de aankomsthaven of langs de transportroute, waardoor zaden kunnen zijn ontkiemd.

In 1829-30 verzond Siebold zaden van Japan naar Nederland, al hebben deze de destijds lange zeereis waarschijnlijk niet overleefd. Zeker is wel dat in 1834 het zaad -opnieuw vanuit Japan- Frankrijk heeft bereikt, waar het de tuinman Joseph Neumann in de broeikassen van de Jardin des Plantes te Parijs lukte om enkele zaden te laten ontkiemen. Na een paar jaar ontdekte Neumann dat de plant het buiten beter deed, zelfs in de koude winters van het 19e-eeuwse Parijs. De boom bloeide voor het eerst in 1841, en omdat de boom zelfbestuivend bleek leverde deze een overvloed aan zaad voor de Europese markt. In 1838 is er ook nog import van Japans zaad rechtstreeks naar Engeland geweest. In 1843 bereikte de Anna Paulownaboom Parsons’ Nursery in New York.

Daten met de Paulownia in de hoofdrol?
De Anna Paulownaboom speelt een belangrijke rol in de cultuur van zowel China als Japan. Beide landen hebben tradities waarbij de boom wordt geassocieerd met een lang leven en met de cyclus van geboorte en dood. Zowel in China als in Japan stond de boom hoog in aanzien en werd deze vaak bij tempels en keizerlijke verblijven aangeplant. Dat lijkt een logische verklaring voor de keuze van Paulownia imperialis als naam door Siebold & Zuccarini en voor de naam Tempelboom.

Er is ook vermeld dat het vroeger de gewoonte was om bij de geboorte van een meisje een Paulownia tomentosa-boom te planten. De boom en het meisje groeiden samen op en wanneer de boom volwassen was (meestal na ongeveer 15 jaar) en bloeide, wist iedereen uit de omtrek dat het meisje huwbaar was. Wanneer de bruiloft aanstaande was, werd de boom omgehakt en het hout gebruikt voor een tafel of bed als bruidsschat.

Nut van Paulownia
De sierwaarde van deze prachtige boom wordt breed gewaardeerd. Zijn enorme bladeren en sierlijke, geurige bloemen zijn een feest om te zien en uiteraard niet alleen in De Dreijen. Aangeplant in stadsparken kan de grote kroon zorgen voor schaduw en koelte waar het op warme dagen heerlijk vertoeven is; een boom om onder te picknicken of te chillen. Omdat de wortels tot op grote diepte kunnen doordringen en daar mineralen opnemen, wordt Paulownia soms aangeplant om grondverschuivingen te voorkomen en open mijnen te saneren. Ook wordt het hout als biobrandstof gebruikt, vaak in de vorm van pellets, en ook voor allerlei gebruiksvoorwerpen, timmerwerk en muziekinstrumenten, die laatste vanwege de goede resonantie-eigenschappen. Het hout is ook geschikt voor papier.


Hoewel Paulownia in het westen pas in recente jaren in de bosbouw wordt ingezet, is ze daarvoor in China al meer dan 2600 jaar in gebruik. Tegenwoordig worden voor dit doel specifieke rassen gebruikt. In China wordt Paulownia geteeld op een oppervlakte van 2,5 miljoen hectare, waarvan op 1,3 miljoen hectare gecombineerde teelt plaatsvindt. In de ruimten tussen de rijen worden gewassen als katoen, maïs en thee geplant. Paulownia is een geschikte boom voor intensief beheer in houtplantages met een korte rotatie vanwege de snelle groei, het vermogen om opnieuw uit te lopen uit de stomp en de grote verscheidenheid aan toepassingen voor het hout en de vezel. Ondanks de snelle groei levert Paulownia zeer gewaardeerd hout. Vers gekapt is het hout zeer zacht en gemakkelijk te bewerken. Onder invloed van licht en zuurstof wordt het snel hard en duurzaam. Omdat het zo licht is, kan het in slechts drie maanden aan de lucht worden gedroogd. Het hout trekt zelden krom en scheurt of splijt niet snel, en heeft goede isolerende eigenschappen. 

 
Paulownia is een van de weinige bosbomen die door insecten worden bestoven; de bloemen zijn een rijke nectarbron en de bijen in Paulownia-plantages in het Verre Oosten produceren zeer gewaardeerde heldere en geurige honing. De bladeren kunnen worden gebruikt als voer voor koeien, schapen, geiten, varkens en konijnen. Ze bevatten ongewoon veel eiwitten en zijn als veevoer vergelijkbaar met luzerne (Medicago sativa). Bladeren, bloemen, vruchten en schors worden gebruikt in de traditionele Chinese geneeskunde. De hoofdhuid wordt met een bladextract gewassen om veroudering van de huid tegen te gaan. Het haar zou er minder snel door vergrijzen en rimpelvorming zou worden verminderd. Uit de zaden gewonnen olie wordt in Japan voor papierproductie gebruikt. De vruchten werden vroeger door monniken gebruikt in gebedstrommels en rammelaars die dienden om de boze geesten te verdrijven.

Zoveel voordelen, zijn er ook nadelen?
Ja, die zijn er wel. Een van de bijzondere kenmerken van Paulownia is dat de twijgen en takken maar ook de stam vrijwel altijd hol zijn. Jonge twijgen hebben aanvankelijk een geladderd merg, maar dat verdwijnt al vrij snel. Daardoor zijn Paulownia-takken met hun grote bladeren kwetsbaar voor windstoten en stormschade. Een beschutte standplaats is gewenst, hoewel dat voor zo'n grote boom niet zal mee vallen die te vinden.

In grote delen van het oosten van de Verenigde Staten is Paulownia tomentosa een ‘arbor non grata’ aangezien ze hier als potentieel invasief wordt aangemerkt. In Connecticut mag de boom zelfs al niet meer worden verkocht. Invasief gedrag wordt ook gemeld voor Paulownia fortunei die recent in ‘het westen’ (Verenigde Staten, Mexico, Zuid-Europa, maar ook in Maleisië, Australië en Nieuw-Zeeland) als bosbouwgewas in populariteit toeneemt.

Vanwege de snelle groei is Paulownia een interessant bosbouwgewas. In Polen, Spanje, Italië, Roemenië en Bulgarije zijn inmiddels houtplantages aangeplant. Milieuorganisaties zijn niet zo enthousiast over plantages van deze snelgroeiende exoot. De bomen hebben relatief veel water nodig en kunnen de waterhuishouding van de bodem negatief beïnvloeden.